Is ontslag van een werknemer mogelijk op de h- grond als herplaatsing niet in de rede ligt?

10-04-2019

Een arbeidsovereenkomst opzeggen of laten ontbinden is alleen mogelijk wanneer sprake is van een redelijke grond voor ontslag en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, aldus artikel 7:669 lid 3 BW.  De herplaatsingsverplichting en de grond voor ontslag waren onderwerp van geschil tussen Shell en één van haar expats (HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64)

De arbeidsovereenkomst tussen de expat en Shell Gabon was geëindigd waarna de werknemer in lijn met de expatregeling van Shell terugkeerde naar Nederland. In 2015 treedt werknemer in dienst van SIEP (onderdeel van het Shell concern) voor onbepaalde tijd. Werknemer is vrijgesteld van werk en de arbeidsovereenkomst heeft louter als doel een andere functie binnen Shell te vinden.  Werknemer heeft daarbij toegang tot een systeem van Shell (MOR), welk systeem hem in de gelegenheid stelt wereldwijd te solliciteren. Werknemer doet dat ook, maar zonder succes. Een aan werknemer aangeboden passende functie wordt door hem tot tweemaal toe geweigerd. Shell vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h- grond nu herplaatsing van werknemer niet in de rede zou liggen. Dit verzoek wordt toegewezen. Partijen twisten tot en met cassatie over de vraag of de stelling dat herplaatsing niet in de rede ligt een ontbinding op de h- grond tot gevolg kan hebben en in hoeverre de werkgever bij deze herplaatsingsplicht beoordelingsvrijheid heeft.

De h-grond betreft een restgrond. Het gaat bij deze grond om redenen ‘anders dan genoemd in artikel 7:669 lid 3 BW a tot en met g, zodanig dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’. Werknemer meent dat sprake is van een situatie die valt onder de a-grond (bij welke grond werkgever zich dient te wenden tot het UWV) en dat de arbeidsovereenkomst derhalve ten onrechte door de kantonrechter is ontbonden. Het Hof en de Hoge Raad volgen de standpunten van werknemer niet en oordelen dat een ontbinding op de h-grond wel openstaat in geval herplaatsing niet in de rede ligt en de arbeidsovereenkomst een lege huls is geworden.

De Hoge Raad laat zich ook uit over de vraag wanneer herplaatsing  “niet mogelijk is of niet in de rede ligt” en oordeelt (in lijn met de “Decor” beslissing van de Hoge Raad op 16 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:182) dat  herplaatsing geen op de werkgever rustende resultaatsverbintenis is. Bij de beoordeling of herplaatsing mogelijk is of in de rede ligt, spelen ook redelijkheidsargumenten een rol, zoals in de onderhavige kwestie het feit dat het al gedurende een lange tijd niet lukt om een andere functie voor werknemer te vinden en werknemer daarnaast een aangeboden passende functie heeft afgewezen. Werkgever heeft voor wat betreft de herplaatsingsplicht derhalve een bepaalde beoordelingsruimte.

Trefwoorden: